Over Eugeen Yoors

Kritische stemmen, tijdgenoten en kunsthistorici over het werk en de persoonlijkheid van Eugeen Yoors.

De vuurberg die in Yoors brandt, vond een uitweg in het glorierijke lichtspel der glasramen.

J.A. Hallez - over het 4de Salon voor Godsdienstige Kunst te Antwerpen (1925)

Bron: Dietsche Warande en Belfort, jaargang 1925, p. 751-756, geraadpleegd via DBNL (KB, nationale bibliotheek)

Lees op DBNL

"Onrechtvaardig geen hooge hulde te brengen aan Eug. Joors, den jongen schilder die zich een meester openbaart in de glasraamkunst. Zijne proeven hingen aan den ingang als verwelkoming en belofte van wat er zou te genieten vallen. En die eer kwam hem toe. Het is verbazend welke innigheid en diepte van gevoel Joors vermag te bereiken in een raam van kleine oppervlakte; dan snoeit hij alle bijkomstigheden weg als onnutte ranken, dan vereenvoudigt hij om enkel het allernoodzakelijkste te behouden, dan kan hij de lijn uitzuiveren, haar spannen met een strakheid die niet zal doorbreken, maar met de vlam der doorzinderende zon moet worden tot een levend trillend ideaal. De vuurberg die in Joors brandt vond een uitweg in het glorierijke lichtspel der glasramen. En 't waren nu te wenschen dat Joors zijn droomen zag trillen in levende glas."

Eugène Yoors is een van zijn trouwste leerlingen gebleven.

Flor Van Reeth over Timmermans en Yoors

Bron: Ten huize van... Deel 14 (1978), Joos Florquin, p. 317-328, geraadpleegd via DBNL (KB, nationale bibliotheek) (uitgezonden op 12 juni 1959)

Lees op DBNL

"Dat is het begin geweest van een schone vriendschap die nooit onder de maat is gebleven. De Fé werd op die manier betrokken in de groep van Streven van Boechout.

Wij stonden daar volledig onder de invloed van de Franse letterkundige Joséphin Péladan, die Le Sâr werd genoemd. Hij beweerde dat zijn geslacht afstamde van een Babylonische koning, van wie hij de titel ‘sâr’ (hogepriester) zou hebben geërfd. Het was de tijd van Bloy, van Huysmans die de strijd tegen de positivistische ideeën van hun tijd hadden aangebonden. Ook Péladan was symbolist en de schrijver van L'art idéaliste et mystique. Wij lazen al zijn boeken.

Eugène Yoors is een van zijn trouwste leerlingen gebleven. Ook de Fé is een volgeling van Péladan geworden en van die invloed is er in ons leven altijd iets gebleven: wij zijn spiritueel anders ingesteld, wij zoeken onder de oppervlakte naar een diepere betekenis. Timmermans schilderde dat in zijn boeken, ik beeldde dat uit in de architectuur."

Wat in Yoors' brandglasschilderingen allereerst treft, is de wondere herschepping van het licht.

De brandglasschilder Eugeen Yoors
door Constant Eeckels

Bron: Elseviers Geïllustreerd Maandschrift. Jaargang 45 (1935); p. 298-307, geraadpleegd via DBNL (KB, nationale bibliotheek)

Lees op DBNL

... "In zijn Christus-Koningkerk, - destijds gebouwd als een der paviljoenen van de Eeuwfeesttentoonstelling te Antwerpen, en nadien gewijd tot parochiekerk van de daar ras opgerezen, nieuwe wijk, - is het licht gansch anders: rijker, uitbundiger, dan in de voornamere, intiemere Sinte-Lutgardiskapel van het Hooger Instituut voor jongejuffrouwen, insgelijks te Antwerpen.

Komt men vervolgens in de kerkgroote kapel der kostschool van de Zusters Annunciaden, te Heverlee-bij-Leuven, dan staat men weer omgeven van een geheel verschillenden gloor: Van den getemperden goudglans, die het schamel kamertje der bescheiden Maagd te Nazareth verhemelde, toen de engel haar verscheen en toesprak: ‘Ave Maria, gratia plena’...."

De onvoltooide symfonie.

Felix Timmermans over de Heilig Hartkerk in Lier

Omdat de ontwerpen van glazenier Eugeen Yoors werden afgewezen en de nieuwe opdracht werd toevertrouwd aan glazenier Jan Huet.

Eerste concrete realisatie van een nevenbestemming voor een Lierse kerk

Feestelijke heropening Heilig Hartkerk | Kerknet

Och het was maar schuim.

Felix Timmermans over "den Sar-Peladan-tijd" in zijn bijdrage in het huldeboek voor Yoors in 1930.

Bron: Jo Govaerts, Eugène Yoors en de Rozenkruisers. Een minder bekend facet van het leven van de kunstenaar, KADOC Nieuwsbrief, 2014/5, p. 10-15

KADOC

"De tijd van dwepen, baard en lang haar, vegetarisme, Lohengrinsche liefde en Parsifalsche mystiek; van 's nachts in 't veld op een viool Beethoven te spelen; de tijd van J. K. Huysmans, tijd van kloosters te bezoeken, symboliek op te sporen, de tijd der tooverboeken, begijnhoven, kathedralen en liturgie.

Maar toch een schoone tijd, een tijd van vrijheid, Bohemergenot, hevige bewondering naast diepe verachting, van geestesontplooiing, hartsverrijking, durf en uitdagen. Het brandde van geestdrift, er was muziek, warmte van 't apostelschap en er was vooral geluk in! Het waren rijke dagen, vol ontroering, schoonheid, idealisme, intens en amandelvol.

We denken nu wel eens: "Och het was maar schuim", ja, schuim was er bij, maar daaronder guldde de hartversterkende champagne! Die dagen hebben hun werk gedaan, en ik ben er nog altijd blij om dat ik ze heb gekend."

Die in het Frans opgevoede Vlaamse Spanjaard.

Zo noemde Felix Timmermans hem al lachend.

Een kerkeraam.

Zuster Maria-Jozefa dicht voor Eugeen Yoors

Bron: Eugeen Yoors, huldeboek, uitg. N.V. Leeslust Antwerpen 1930 blz.15

 

"Mijn ziel wil zijn een kerkeraam

Van levend glas vol verven,

Gebrand, gebroken – en weer saâm:

Eén schoonheid van àl scherven…

 

Mijn ziel is bleek en broos… Alleen

Verbrijzeld in Gods Handen

Kan ze poort van edelsteen

In heilige muren branden!

 

Hij vat de schilders in het lood:

De zwarte lijdenslijnen,

Waardoor zijn beeld almachtig groot

En zuiver kan verschijnen.

 

Hij praalt er in zijn lichtgewaad

Of sluiert diep zijn Wezen,

Bij avond of bij dageraad

Gestorven of verrezen!

 

Mijn God ! Hier is mijn zieleglas !

Wil kleuren en doorkerven,

En smelt het om als bijenwas...

...Doch werp niet weg mijn scherven..."

Yoors: een hoogfeest van kleuren.

Bron: Ast Fonteyne, Jong Dietschland, 28/10/1932, p. 733. Geciteerd in: Ast Fonteyne 1906–1991. Een kwestie van stijl, Peter Anthonissen e.a., KADOC.

"Toen ik soldaat was, te Brussel, had ik eens gehoord van een kerk te Chenoy, waar moderne ramen moesten staan van Eugeen Yoors.

Ik had een halve dag vrij en trok er op af.

Chenoy is een onnoemlijk klein dorpje bij Waterloo, met een lelijke kerkje in rode baksteen.

Daar vond ik die heerlijke serie Franciscus-ramen van onzen Vlaamsen Spanjaard: een hoogfeest van kleuren.

Ik was zodanig begeesterd en vond niemand om het te zeggen.

De dorpers keken me verward aan als wilden ze zeggen: 'Wat komt die hier zoeken'.

Ik ging bellen aan de pastorie.

De pastoor wist met zijne blijdschap geenen weg.

Hij stak me een cigaar in den mond en liep orders geven aan zijne meid, in de keuken; d'r kwam een gebraden kieken op en wijn en er was feest: alles van louter geluk omdat er nu eindelijk eens iemand gekomen was die zijn kerkramen schoon vond!...

Hadde ik gekunnen, ik had hem wel twee kiekens terug gegeven, omdat ik weer eens een priester gevonden had die up to date modern voelde!"

Een glasraam moet het licht uit de hemel koninklijk laten binnenstromen...

Bron: Jos Philippen in "Lenteweelde" Geciteerd in: Pelgrim naar het Licht – Frans Eykens.

"De meest beroemde figuur uit de Pelgrim-beweging is misschien wel Eugeen Yoors.

Hij is een stoer artiest, die ongenadig alle overtolligheden wegsnoeit en de gloed der bezieling en der emotie als een heilige toorts door zijn kleuren zwaait ...

Een glasraam moet het licht uit de hemel koninklijk laten binnenstromen, het moet dat licht doen leven en juichen en jubelen uit liefde tot het onstoffelijke, mens geworden Licht: Jezus Kristus.

Dát heeft Yoors weten te bereiken, en daarom staat zijn kunst zo hoog."

My father was then 43 years old and a poor and struggling artist with a great vision and persistent courage.

Bron: Jan Yoors Childhood – Jan Yoors

I am grateful and still full of wonder that on mid-April 1922 I came into the world as the first son to my parents and as the long prayed for fulfillment of their great love. My father was then 43 years old and a poor and struggling artist with a great vision and persistent courage. His integrity as an artist lifted him and us above the mediocrity, sham and ugliness of the world around us. His vision was religious, pure and intense. My father was and to my mind is one of the great, if as yet not fully recognized, religious artist of our century.

It was shortly after my birth that my father was more or less accidentally, given the opportunity to design a stained glass window for a convent near Thurnhout, in the Flemish part of Belgium and which was to start him on a long creative period in, and part of, what was to be the renaissance of stained glass in Europe.

Lees verder op Childhood – Jan Yoors

Door Eugeen Yoors

Over het doel van kunstkring 'Streven' (1905)

Bron: Inventaris Onroerend Erfgoed 2026: Herberg De Valk [online], https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/12557 (geraadpleegd op 21 mei 2026).

Het doel van de kunstkring was "in den buiten een kunstbeweging te stichten en alzoo het schoonheidsgevoel in het volk te brengen".

Flor Van Reeth het formuleerde het zo: "het verspreiden, het 'decentraliseren' om zoo te zeggen van den goeden smaak". 

Je n'ai rien fait en trois ans (1906-1909)

Bron: Eugeen Yoors 1879–1975: oorlogsgetuige 1914–1918; tentoonstellingscatalogus

De jaren tussen 1906 en 1909 beschreef hij zelf als bijzonder rauw en hard:

"Je n'ai rien fait en trois ans; je n'ai pas d'oeuvres; j'ai misère affreuse."

Toch was er één belangrijk lichtpunt: in deze periode ontstond zijn levenslange vriendschap met Flor Van Reeth.

Over de rozenkruisersbeweging 'La Rosace' en de tentoonstelling in Parijs (1909)

Over rozenkruisersbeweging 'La Rosace' in Vrouwenleven

Bron: Jo Govaerts, Eugène Yoors en de Rozenkruisers. Een minder bekend facet van het leven van de kunstenaar, KADOC Nieuwsbrief, 2014/5, p. 10-15

"Aan het hoofd hiervan was de kunstschilder Jacques Brasilier; onder de leden, de beeldhouwer Charlier, de russische schilder Polisédif. Er waren ook Vlamingen onder en dat waren: René Lombaerts, Flor Van Reeth en ik zelf, verder nog een tiental jonge Fransche en Italiaansche kunstenaars.

Onze eerste tentoonstelling had plaats in 1909 te Parijs; de toeschouwers waren zeer ingenomen met het werk, maar uit hen ging niets uit; er kwam geen cooperatie tot stand tusschen het publiek en onze groep, het bleef bij een passief bewonderen. 

De 'Rosace' zelf was een gesloten kring; had geen 'beweegkracht'. De tijd der 'bewegingen' brak aan nadat de groote beroering van den wereldoorlog er was geweest. Alle landen hadden kunstenaars die godsdienstige kunst voortbrachten, maar overal waren het enkelingen die wrochten. Frankrijk kende een Puvis de Chavannes, Holland een Jan Toorop, Polen een Von Mehoffer. Er was een Wispiansky, een Moser enz.; maar nergens een beweging.

Toen kwam 1914. - Plotseling, als ware het in een droom, stonden wij (zoals Leon Bloy zegt) 'au seuil de l'Apocalypse, face à face avec la mort'. De kristene volkeren moordden elkaar uit; millioenen menschen werden vermoord, verminkt, ontredderd en vier jaar lang leefde het menschdom in gruwelen.

Maar de wereld verging nog niet. Het eind was uitgesteld. De vrede kwam en zooals in het jaar duizend herademde het menschdom en de kunstenaars, de katholieke kunstenaars vooral, voelden in zich de scheppingsdrang hen dwingen tot de daad."

In 't gevangenkamp van Amersfoort (1914)

Bron: Eugeen Yoors: oorlogsgetuige 1914–1918

Karel v d oever is jalous van my en hy zegt het my 'gy zyt gevoed, gekleed en geerbergt op de kosten van de staat, ik niet' 'laat ons wisselen.

Zeg ik 'het is heel gemakelyk. Gy komt my bezoeken en wy wissele van kleeren en gy blyft in het kamp in myn plaats.

En hy kwam en hy zag hoe we sliepen, op den arte bevrozen grond, in 't groote tent waar de koude wind pakken sneeuw binnen joeg. En hy at van ons afschuwelyk eten en hy ondervond op welke een beestelyke wyzen ons drie domme sergeanten ons behandelden.

Waarom blyft ge niet? Vroeg ik hem toen hy ging vertrekken.

Maar hy nu totaalgenezen was van zynen afgunst.

Hulde uit de Kampen (1915)

Bron: De Vlaamsche Stem - 24 juli 1915 , geraadpleegd via Eugeen Yoors: oorlogsgetuige 1914–1918

Ik wou, ik ook, mijn Koningin, in naam mijner Vlaamsche en Waalsche wapenbroeders alhier, eenige woorden bijbrengen aan de groote hulde die uit geheel het volk stijgt tot U.

Maar de woorden die ik vond gaven niet den gloed, niet de kracht en niet de waarheid weer van ons gevoel en wat mijn hart voelde kon ik niet uitdrukken.

Maar van morgen deden de Belgische kinderen hier te Amersfoort hunne eerste communie, zeventig kinderen van soldaten.
De plechtigheid heeft plaats in een arme wit gekalkte kapel. Ze is versierd met bloemen en wierook walmt.

Overal staan soldaten, uwe soldaten. De schoolmeesters die de kinderen vergezellen zijn Belgische soldaten, Belgische soldaten houden er de wacht, het prachtig koor dat plechtig de Latijnsche choralen zingt is uitsluitend uit Belgische soldaten samengesteld.

Onze aalmoezenier leest de mis. Dan spreekt hij den kinderen eenige woorden toe en die woorden zijn zoo gepast, zoo treffend dat alle oogen zich met tranen vullen:
"U... kinderen — op deezen dag moogt ge van God iets vragen. Wat moogt ge Hem vragen? Alles. Alles staat Hij aan de kinderen toe. Wat zult ge Hem vragen? Wat moet ge God vragen kinderen? Dat Hij van den Vijand ons land verlosse, dat onze dappere Koning en dat onze zoo-beminde Koninginne zegevierend weer keeren in ons weer vrije land. Vraagt het Hem kinderen."

Toen sloten de kleinen de oogen, vouwden de handen samen en baden, allen gelijk, lang en vurig voor ons land, voor onzen Koning en voor U, mijn Koninginne! En wij ook, soldaten, wij hebben onze handen gevouwen en voor het vaderland, voor Koning Albert en voor U gebeden: "Al wat de kinderen vragen geeft hun God."
Moge God hun geven wat ze vroegen.

Na het zoo schoon gebed wat kan ik nog wenschen voor U!

Laat ik U eenvoudig nog zeggen, mijn Koningin, dat wij hier, Belgische soldaten, voor U vragen, datzelfde wat de kinderen van morgen aan God voor U vroegen.

EUGEEN JOORS.
Kamp van Amersfoort.

Over de tentoonstelling van moderne godsdienstige kunst (Antwerpen, december 1921)

Bron: Dietsche Warande en Belfort, jaargang 1922, p. 238-246, geraadpleegd via DBNL (KB, nationale bibliotheek)

Lees op DBNL

Hij verdedigt de noodzaak van een vernieuwde, authentieke christelijke kunst en bespreekt met grote ernst en passie de kunstenaars die volgens hem bijdragen aan die heropleving.

Hij vergelijkt twee recente tentoonstellingen in Antwerpen:

  • de wereldlijke tentoonstelling “Kunst van Heden”, die volgens hem de innerlijke verwarring van de moderne mens toont, zonder geloof, hoop of liefde;

  • en de Tentoonstelling van Mystieke Kunst, die volgens hem een noodzakelijke tegenkracht vormt en een moreel hoger doel nastreeft.

Hij opent met een hulde aan twee overleden kunstenaars, Joe English en Raymond Delahaye, die volgens hem op deze tentoonstelling hadden moeten aanwezig zijn.

Yoors benadrukt dat religieuze kunst vaak technisch zwakker is omdat kunstenaars er geen inkomen uit halen en het werk in hun vrije tijd moeten maken. Hij pleit voor steun van kerkfabrieken, kloosters en welgestelde katholieken, zodat kunstenaars opnieuw echte, hoogwaardige religieuze kunst kunnen scheppen — zoals in de gotiek en renaissance.

Daarna bespreekt hij een groot aantal kunstenaars en werken. Enkele kernpunten:

  • Georges Desvallières: krachtig, onstuimig, monumentaal; zijn Heilig Hart is volgens Yoors onovertroffen.

  • Georges Minne: twee zalen vol tekeningen, diep mystiek en van grote schoonheid.

  • Auguste Donnay: melancholische landschappen en religieuze scènes met sterke kleur en lijn.

  • Alfred Delaunois: meesterlijke techniek, vooral in kerkinterieurs en kleurschetsen.

  • Jacob Smits: zijn Judaskus is volgens Yoors een museumwaardig meesterwerk.

  • Maurice Denis: absolute hoogtepunt van de tentoonstelling; zijn Blijde Boodschap noemt Yoors het mooiste werk van de hele expositie.

  • Gustave van de Woestijne, Timmermans, Combaz, Montald, Van Reeth, Van Os, De Roover, Hebbelinck, Van Humbeek en vele anderen worden besproken, vaak met scherpe observaties over stijl, kleur, techniek en spiritualiteit.

Yoors sluit af met een reflectie: er bestaan volgens hem twee verkeerde richtingen in de moderne religieuze kunst:

  1. de dode academische stijl, zonder ziel of frisheid;

  2. de te moderne richting, met veel kleur en licht maar zonder harmonie of compositie.

De waarheid ligt volgens hem tussen beide:

  • eerst klassieke studie en traditie,

  • daarna een persoonlijke, levende, diep gevoelde kunst.

Over zijn vriend Renaat Veremans

Herinnering aan mijn vriend Renaat Veremans

Bron: Vlaanderen. Kunsttijdschrift. Jaargang 19 (1970), p. 317-319, geraadpleegd via DBNL (KB, nationale bibliotheek)

Lees op DBNL

"Tussen ons lag een afstand van twintig levensjaren; en het was alsof die afstand niet bestond.

Beiden hebben wij oorlogen doorgemaakt en leefden in een tijd van verwarring en omwenteling, die voorafgaan aan een nieuw tijdperk - gaf dit de ‘binding’?

Over het verschil van jaren tussen ons, sloeg de vriendschap een brug; daaruit kwam de waardering die wij hadden voor elkaars kunst en elkaars anders geaarde persoonlijkheid.

Renaat was opgegroeid in Lier, in een door en door Vlaams midden (ik zou willen, durven zeggen, dat hij door en door een ‘produkt’ was van de Vlaamse bodem!).

Ik hoorde daarentegen, door mijn opvoeding in Andalousië, aan het licht en de zon van Spanje. Dat maakte ons zeker zeer verschillend van elkaar!

Wat was het dan, dat ons van beide kanten aantrok?

Wij ontdekten het later. Beiden hadden wij, bij onze geboorte, de gave van eenvoud meegekregen en... wij waren beiden oprecht.

Het was Flor van Reeth, mijn oude vriend en toen kersverse vriend van Renaat Veremans, die ons in 1919 samenbracht. Flor was terug uit Engeland, waarheen hij in 1914 met zijn gezin was gevlucht. Ik zelf kwam net uit het kamp van Amersfoort en droeg nog gedeeltelijk mijn soldatenplunje."

Het is te zien dat dit werk van dezelfde is die 'het Kindeken Jezus in Vlaanderen' schreef!

Bron: Dietsche Warande en Belfort, jaargang 1922, p. 238-246, geraadpleegd via DBNL (KB, nationale bibliotheek)

Lees op DBNL

 "Van Felix Timmermans 'De Drie Koningen op weg' in de sneeuw, onder de zwarte dreigende lucht en bibberend van kou en met roode neuzen.

'De offerande der Herders'. De eene brengt een mandje met roode appelen, de andere een bloempot met geraniums!

'Ecce Homo' een paar echte sukkelaars, half kreupel, smeeken den Heer die er erg bedroefd uit ziet.

'De Heilige Jan van Ruijsbroeck' staat alleen en verlaten in een sparrenbosch tusschen kleine roode paddestoeltjes.

'De drie Koningen aanbiddend'. Het Kindje liggend in een biezen wiegje en in de verte een moleken en een kerktoreke!

Hier zijn we bij Lier. Het is te zien dat dit werk van dezelfde is die 'het Kindeken Jezus in Vlaanderen' schreef! Want wie weet niet dat Timmermans èn schrijver èn schilder is en dat hij rustig woont ginder aan de lichte Nethe, waar de vroolijke Pallieter leeft?"

Eugenio d'Ors in De Pelgrim

Onder het pseudoniem Eugenio d'Ors schreef Yoors over zijn wantrouwen voor de dwang van de moderniteit.

Bron: De Pelgrim, jaargang 1,1 (december 1929), p. 93, geraadpleegd via De Pelgrim, kunst en zingeving in een onttoverde wereld (1924-1931)

"Zoo kan men heden ten dage waarnemen dat de architektuur het aantrekkingspunt is geworden.

De beeldhouwkunst heeft geen andere betrachting dan op haar te gelijken.

De schilderkunst tracht de beeldhouwkunst te benaderen; 'cubisme', 'structurisme', 'tectonisme' bedoelen niets anders voor zoover ze iets ernstigs en fundamenteel beteekenen."