Eugeen Yoors: uitgelicht
Verrijzeniskerk
Het visionaire kerkproject van architect Flor Van Reeth en Eugeen Yoors – achtereenvolgens bekend als de Heilige Geestkerk, Verrijzeniskerk (ook Pinksterkerk of Kerk der Opstanding) en de Kathedraal voor de Wereldvrede – kende zijn oorsprong in het begin van de jaren 1920 na een onverwachte genezing van de doodzieke Flor Van Reeth. (Bron: Ten huize van)
Uit archiefonderzoek van hun onderlinge correspondentie blijkt dat het concept steunde op twee belangrijke historische katalysatoren:
- Ideologische fundering (1921): Het project werd primair geïnspireerd door de utopisch-antimilitaristische tekst Het Godshuis in de Lichtstad (1921) (Digitale versie) van de Nederlandse auteur Frederik van Eeden. Van Eeden onderhield nauwe persoonlijke contacten met de familie Yoors.
- Esthetische motivatie (1925): Hoewel vroege plannen al in 1921 op het Salon voor Moderne Godsdienstige Kunst in Antwerpen getoond werden, kreeg het radicale totaalconcept een impuls in 1925. Na een bezoek aan de door kardinaal Mercier geïnitieerde kerk in Chenois concludeerden de kunstenaars dat de architectuur verregaander gemoderniseerd moest worden om de impact van Yoors' glasramen ten volle te benutten.
Tijdens de eerste Pelgrim-tentoonstelling in 1927 fungeerde het schaalontwerp van de Kathedraal der Opstanding als het centrale expositiestuk. Dit verstevigde de directe associatie tussen het kerkproject en de Pelgrims.
Hoewel het project hielp bij het verwerven van private opdrachten (zoals kapellen in Antwerpen en Heverlee), stuitte de radicale modernistische vormentaal op sterke dogmatische en esthetische weerstand binnen de kerkelijke hiërarchie. In tegenstelling tot de welwillende kardinaal Mercier, toonde diens opvolger, aartsbisschop en kardinaal Van Roey, zich een expliciet tegenstander van hun stijl. Dit leidde ertoe dat opeenvolgende ontwerpen door officiële bouwcommissies werden afgekeurd.
Als gevolg hiervan bleef de realisatie van de Verrijzeniskerk beperkt tot een papieren architectuur. Tot aan hun overlijden in 1975 bleven Van Reeth en Yoors het project in hun correspondentie echter behandelen als een conceptuele en spirituele utopie.
Yoors verwoordde zijn visie als volgt: “De kerk bestaat uit drie delen, telkens ingeleid door een groot glasraam. Eerst de Schepping, dan het Oordeel en boven het altaar het Laatste Avondmaal. Rond het altaar komen de kapellen met de martelaars. Ik zou er veel voor overhebben dit eens te mogen uitbeelden: Christus, die het brood breekt bij het Laatste Avondmaal.”
Het ontwerp voorzag in maar liefst 150 glasramen die in harmonie met de architectuur één centrale thematiek moesten uitdragen: de overgang 'Van den dood naar het Leven'.