Eugeen Yoors: uitgelicht

Sint-Janskerk - Weeldestraat

In Weelde wilde men eind jaren 1920 het eenvoudige glas in de kerk vervangen door kunstglasramen, maar de vraag bleef wie men voor zo’n veeleisende opdracht kon aanspreken.

De pastoor en zijn parochianen waren het snel eens: alleen de meester van het glasraam, de kunstenaar van het licht, wiens ramen een kerk tot biddende schoonheid verheffen, kwam in aanmerking.

Zo werd Eugeen Yoors, inmiddels wereldberoemd, benaderd voor het werk. Hij reageerde meteen positief en reisde zo spoedig mogelijk naar Weelde. Daar werden afspraken gemaakt over onderwerpen, kleuren en uiteraard de prijs.

De totale kost bedroeg 62.600 frank, een bedrag dat binnen één jaar volledig werd ingezameld door de gelovige Weeldenaren — een ongeziene daad van vertrouwen en durf. Yoors noemde het terecht als 'kunnen toveren'.

Bron - De Drie Goddelijke Deugden.

Betsie Hollants in De Standaard (vrijdag 18 maart 1932)

Weelde in de Kempen: Naar de Kempen trekt men niet in het voorjaar, doch in den zomer, als de heide purper is en de bijen heen en weer zoemen over de zandwegen. Komt men er toch op het ogenblik waarop de winter van de lente scheidt, dan is dit wellicht op rekening van het toeval te schuiven, al kan het ook een gelukkig toeval zijn.

Per bus over Turnhout, geestelijke serre van Vlaanderen, vanwaar vrome priesters over gans het land en heel Congo worden gestuurd, over Oosthoven met zijn kruisenslaande molen en Ravels, dat cement maakt, landt men te Weelde aan op de Hollandse grens.

Weelde, zoals alle goede dingen, bestaat uit drieën: Weelde Dorp, Weelde-Statie en Weeldestraat. Ze liggen van elkaar en zijn toch samen verbonden gelijk bollekens van een Paternoster met een heel stuk ketting tussenin. Drie kwartier is 't van Weelde Dorp naar Weeldestraat en vandaar uit duurt het nog eens drie kwartier voor men aan Weelde-Statie is.

De elementen van het landschap zijn vlak veld, dennenbosjes (niet veel te groot voor een Japanse miniatuurtuin), 'n weg met blond zand en dorre hei. Groepeer dit alles tegen den versten blauwen achtergrond die men in ons bedenken kan en plaats er 'n bonkige oude toren in: dat is Weelde Dorp; vervang den toren door enkele blozende bakstenen huizen, dan hebt ge Weeldestraat; wilt ge Weelde-Statie zien, verbeeld u dan in dezelfde omlijsting, een ruim gebouw met 'n douanepost, juist op de grens.

Dat is alles. Wie zou ook iets anders in Weelde gaan zoeken, in deze schrale streek waar de boeren op de Kruisdagen hard moeten bidden om wat vruchtbaarheid. Toch is er iets te vinden, zo onverhoopt als het maar zijn kan.

Waar de bus stilhoudt in Weeldestraat priemt een torentje boven de huizen uit, een schichtig sprietje van een toren, dat de dwaze vergelijking met het schedeblad van een sneeuwklokje oproept. Nergens anders zou men er op letten. Hier trekt het de aandacht. Men wil weten waar het bij hoort en stelt vast dat het de bekroning is van een kapel met vooruitspringend portaal. Puntgevel van dit laatste is een herhaling in 't klein van dien der eigenlijke bidplaats. Drie rode vensters vormen een driehoek boven en naast de openstaande deur.

Daardoor komt men in Sint-Janskapel. Het hemels blauw portaal is een nis vol rust, voorbereidend op nog grotere rust en op nog grotere verrassing. Wilt gij ze onder vinden, doe dan deze wandeling na en treedt binnen in de kapel. Ze is nooit leeg al is het midden op den dag.

Vol heiligen staat ze in rood en goud en blauw, in paars en groen. Ze is omsingeld door heiligen, twee aan twee geplaatst als wachten in elk der vele vensters. Achter het altaar zijn er, boven de biechtstoelen en het portaal, er valt niet aan te ontkomen. De martelaren en de maagden, apostelen en de heilige vrouwen spreiden zulk een onvermoede pracht ten toon dat de zon ze uit eerbied met haar goud omkranst.

Met kleurengeschetter breekt ze binnen over altaar en preekgestoelte, over de antieke communiebank waar op Passie Zondag de witte bruidjes neerknielden en gedoopt werden in den gloed van het licht. De zon glijdt naar het zuiden terwijl we kijken en tovert langsdaar in de vlammen die rond Sint-Theodorus opslaan en in de albe van Sint-Niklaas Poppelius, martelaar van Gorcum, patroon van Weelde. Op een zijwand trillen kleurige vlekken, juist boven het altaar. Het ruikt er naar hyacinthen. Komt die geur van echte bloemen in de kerk of van de wonderbloemen die de zon laat dansen op den wand?

Men vraagt zich niet af vanwaar deze heiligen komen. Zijn zij niet al te duidelijk verwant aan die van Sint-Lutgardiskapel en aan deze der doopkapel van Christus Koninkrijk te Antwerpen? Hebben zij niet dezelfde statigheid, innigheid en kleurenfelheid?

Maar wat men zich afvraagt is hoe een schamel Kempisch dorp aan zulk bezit komt en aan zulk een helderblijkende zin voor schoonheid? Over het middenschip en de zijbeuken der kapel en over het ingetogen kleine baptisterium ligt een voornaamheid waartoe de schildering in effen op elkander afgestemde tinten, die de gebruikelijke draperieën, en heraldische lelies vervangt, ruimschoots bijdraagt. Ook hierover stijgt verwondering op terzelfdertijd als voldoening.

Een ander uitzicht heeft deze zeven eeuwen oude kapel gehad; een dat in niets verschilde van eentonige, smakeloze veldkapellen, wier stilte de enige aantrekking was. Toen de pastoor van Weelde Dorp zijn ver af wonende parochianen van Weeldestraat een eigen priester gaf, werd korte tijd geleden Sint-Janskapel door den pas benoemden kapelaan grondig onder handen genomen.

Hij riep Kanunnik Lemaire om ze te vergroten zonder haar landelijk karakter te schaden. Hij liet architect Ritzen komen. Smaakvolle altaars en preekstoel werden door hem ontworpen, en waar geen plaats meer was, vond hij de nodige ruimte om twee moderne biechtstoelen als alkoven in den wand te laten schuilgaan.

Wat schoon was in de oude kapel werd behouden, wat lelijk was verdween. Zo bleven de karaktervolle vijftiende-eeuwse beelden van Sint-Jan den Doper, Sint-Anna, Onze-Lieve-Vrouw en Sint-Brigitta met haar koe, die waarlijk het bezien waard zijn, en verdween een altaar, dat op een theaterscherm geleek. Modern en oud harmoniëren hier in de oude trouwe Kempen die verlangend luistert op den rand van een nieuwe tijd.

Kapelaan en volk wilden schoonheid in hun kapel en hebben ze verworven, ten koste van opofferingen weliswaar, maar ook als borg voor grote vreugde. Die is begonnen toen stuk voor stuk de glasramen konden besteld en geplaatst worden in bijzijn van groot en klein.

Vreugde die wordt vernieuwd elke morgen wanneer het altaar vlamt in vuur der heiligen, elke avond wanneer in het westen de zon door de ronde vensters valt waarop Maria met het Kindje ten zegen gereed is. Weeldestraat, met zijn juwelige kapel, is het voorbeeld en een aansporing voor wie uit den ban van het alledaagse en smaakloze los wil ter bereiking van echte schoonheid.

De Kempenaar van Turnhout (zondag 27 maart 1932)

(overgenomen uit het tijdschrift 'Natuur-en Stedenschoon')

Te Weelde: De kapel van St.-Jan de Evangelist (verbetering Red.: St.-Jan de Doper), deze zeer oude kapel, gelegen nevens den groten weg, nevens het gemeentehuis (1857), was altijd het onderwerp van een zeer druk bijgewoonde bedevaart, den dag van Sint-Jan (24 juni), of juister dien nacht, want de meeste bedevaarders kwamen gedurende de nacht toe.

Uit oorzaak van den aangroei der bevolking, voornamelijk langsheen den weg Turnhout–Tilburg, werd de kapel langs weerskanten vergroot. Het oude karakter is er geheel door verloren gegaan.

Zowel onder constructief oogpunt als onder dit van uitvoering werden grove fouten begaan. De steunstukken der buitenmuren werden bedekt met platen in eterniet, de vensterriggels met blauwen steen, beiden materialen die in de middeleeuwen nooit in de Kempen gebruikt werden. Het toemetselen der voegen gebeurde op basis van zand en niet van mortel. De elektriciteit werd buiten de kapel geplaatst. De uitbouw van den biechtstoel is op ongelukkige wijze langs buiten merkbaar.

Eens te meer werd de Commissie van Monumenten voor een voldongen feit gesteld. Nochtans geldt het hier een buitengewoon mooi, oud en zeer stemmig kapelletje. Het gebouwtje bergt nog enige stukken van waarde: een prachtig oud beeldje der Maagd van Ste. Anna, beeldjes van Ste. Brigitta, Ste. Barbara en St. Jan, een H. Maagd in een glazen kast, het hoofd van St. Jan op een schotel, oude communiebanken en zes koperen kandelaars Lodewijk XVI.

De Kempenaar van Turnhout (zondag 10 april 1932)

Te Weelde: De kapel van Sint–Jan, een juweel der Kempen.

Daar waar alle merkwaardigheden onzer streek onze lezers aanbelangen en we weten dat de fraaie kapel van Weelde een kunstjuweel is van bouwtrant, hadden we over drie weken een uittreksel medegedeeld uit een tijdschrift, waarin de aandacht op deze mooie bidplaats getrokken werd.

In dat uittreksel werd de kapel van St.-Jan niet zo zeer besproken als bedeplaats, maar veeleer als een brokje van overblijvende oude kunst van bouwtrant. De kapel heeft noodzakelijke veranderingen ondergaan, omdat ze, sedert het oprichten der kapelanie, bestendig voor de gelovigen dienst doet als kerk, en er de goddelijke diensten regelmatig geschieden. Zij moest dus voldoen aan de noodwendigheden ener parochiekerk, en er moesten noodzakelijke veranderingen aan toegebracht worden om te voldoen aan de behoeften van den eredienst.

In het aangehaald artikel werd daarop niet gelet, en de schrijver, door zijn 'antikaire' bril de aangebrachte verandering beschouwende, beoordeelt ze strijdend tegen de oude kunst, en bijgevolg verkeerd. Vermits er in verschillende dagbladen over St.-Janskapel gesproken werd, en zij dus de aandacht trekt van al wie belang stelt in godsdienstige kunst hebben wij aan een onzer medewerkers, zeer bevoegd inzake godsdienstige kunst, gevraagd aan de kapel St.-Jan enige bezoeken te brengen en ons zijne indrukken mede te delen.